Imposter syndroom na je diagnose
Je hebt een diagnose. Of je bent er vrij zeker van. En toch denk je regelmatig: "Maar misschien is het niet echt." "Ik kan dit toch gewoon?" "Anderen hebben het veel zwaarder." Herkenbaar? Dan ben je niet gek. En niet de enige.
Imposter syndroom bij autisme is verraderlijk. Je twijfelt niet alleen aan jezelf — je twijfelt aan iets dat een professional heeft vastgesteld. Iets wat een verklaring biedt voor zoveel in je leven. En toch voelt het soms alsof je bluft.
Dat is geen teken dat de diagnose niet klopt. Het is vaak een teken dat je heel goed hebt geleerd jezelf te wantrouwen.
Hoe het voelt
Het is niet één gedachte. Het zijn er meerdere, en ze wisselen elkaar af. Soms fluisteren ze, soms schreeuwen ze.
"Misschien heb ik mezelf aangepraat dat ik autistisch ben. Misschien zoek ik een excuus. Misschien wil ik gewoon bijzonder zijn."
"Ik kan oogcontact maken. Ik heb vrienden. Ik heb een baan. Echte autisten hebben het veel moeilijker dan ik."
"De psycholoog heeft het verkeerd gezien. Ik was te goed in uitleggen. Ik heb de test 'gehaald' terwijl ik niet echt autistisch ben."
"Als ik kan functioneren, kan het niet zo erg zijn. Als niemand het ziet, is het misschien niet echt."
Waarom dit logisch is
Deze twijfels komen niet uit het niets. Ze hebben bronnen — en die zijn te begrijpen, ook al zijn ze niet waar.
- Je hebt jarenlang geleerd om je aan te passen. Dat is precies wat masking is.
- De beelden van autisme in media en maatschappij kloppen vaak niet met jouw ervaring.
- Je bent gewend om je eigen perceptie te wantrouwen. Anderen zeiden dat het wel meeviel.
- Als je laat gediagnosticeerd bent, 'zag niemand het' — dus hoe echt kan het zijn?
- Je vergelijkt je binnenkant met andermans buitenkant.
Je hebt niet ondanks autisme geleerd te functioneren. Je hebt door je autisme een heel repertoire aan aanpassingen ontwikkeld. Dat is geen bewijs dat het niet echt is — het is bewijs van hoeveel werk je hebt verzet.
Het vergelijkingsprobleem
Een van de hardnekkigste bronnen van twijfel is vergelijken. Je kijkt naar iemand die meer moeite lijkt te hebben. Die meer zichtbare kenmerken heeft. Die minder lijkt te kunnen verbergen.
En dan denk je: "Zie je wel. Ik hoor hier niet."
Maar autisme is geen wedstrijd. Er is geen drempel van lijden die je moet halen. Iemand anders meer zien worstelen zegt niets over wat jij van binnen ervaart. Je vergelijkt jouw backstage met iemands podium — of andersom.
Misschien kijkt iemand anders naar jou en denkt hetzelfde: "Die lijkt het prima te doen. Ik niet." Jullie kunnen allebei autistisch zijn. Jullie kunnen allebei moeite hebben. Het hoeft er niet hetzelfde uit te zien.
De masking-paradox
Hier zit een wrede ironie. Hoe beter je hebt leren masken, hoe meer je twijfelt aan je diagnose. Want als je zo goed kunt doen alsof, dan is het misschien wel alsof. Toch?
Nee.
Masking is geen bewijs dat je niet autistisch bent. Het is een overlevingsstrategie. Het kost energie. Het heeft gevolgen. Dat je het goed doet, maakt het niet minder echt — het maakt het soms juist zwaarder.
De twijfel wordt vaak erger op momenten dat het "goed gaat". Als je een goede dag hebt, kan de gedachte opkomen: "Zie je wel, er is niks aan de hand." Dat is niet logisch, maar het is wel herkenbaar.
Wat kan helpen
Imposter-gevoel gaat niet zomaar weg. Het komt vaak in golven. Maar er zijn dingen die het dragelijker maken.
Niet om jezelf te overtuigen, maar om een geheugen te hebben voor de momenten dat je niet twijfelt. Lees het terug als de twijfel weer opkomt.
Verhalen van anderen met een late diagnose. Niet om te vergelijken, maar om te zien dat twijfel normaal is. Dat jij niet de enige bent die dit denkt.
Eén goede dag zegt weinig. Kijk naar je hele leven. Naar de aanpassingen die je maakt. Naar de uitputting die steeds terugkomt.
Je hoeft niet elke dag te 'geloven' dat je autistisch bent. Het label hoeft niet alles te verklaren. Het mag gewoon nuttig zijn — soms.
Wat niet helpt
- Jezelf steeds opnieuw testen om te 'bewijzen' dat het klopt.
- Je autisme-zijn afhankelijk maken van hoe slecht je je voelt.
- Zoeken naar bewijs dat het niet klopt (spoiler: je vindt het altijd).
- Je vergelijken met een stereotype dat niet bij je past.
Tot slot
Je hoeft je diagnose niet te verdedigen. Niet tegenover anderen, en niet tegenover jezelf. Het feit dat je twijfelt, betekent niet dat het niet klopt. Het betekent waarschijnlijk dat je jarenlang hebt geleerd je eigen ervaring te bagatelliseren.
Dat afleren kost tijd.
Neurotypische mensen liggen niet wakker met de vraag of ze wel echt neurotypisch zijn. Die twijfel zelf is al een aanwijzing.